Inval


Inval

 

Je verdween als  sneeuw voor de zon

uit m ’n woelige gedachten, hoe kon ik ‘t

ook verwachten, de tijd ging slordig met

ons om, de dagen dat jij mij zo vervulde.

 

Je was uit het zicht van mijn buitenbinnenwereld

Ik zocht overal; in groen gras of in een onderwal.

Er waren tijden dat jij, als ik even keek, verscheen.

 

Wat is een uur of dag, een onbeschreven blad

waarop de wind vluchtig het verhaal  vertelt

dat jij was: een bladzij poëzie en  ik een slordig

proefveldje  vol  met doorhalingen of fouten.

 

Tijd is de afspraak van iets wat nooit komen gaat.

Een jaar overviel jij het huis van mijn gedachten,

bij dag en nacht deed ik gretig de voordeur open:

Jij immers zou mijn zoekend bestaan verzachten.

                                                            (voor Jenny of hoe ze verder ook heten mag)

©c.u.

Aanvankelijk


In de morgen ga ik beginnen

opstaan wassen  aankleden

al doende verschuift het heden

verplaats ik ijverig ‘t  verleden

beginner ben ik zo iedere dag

Na de  boterham  + bloeddrukpillen

begint de dag met  een frisse krant:

voetballen  een stadion met gedichten,

de meeste  het lezen niet de moeite

soms bij de uitgang nog verrassend

De middag verzandt in een hazenslaap

daarna is er thee en tv met wat eten wij

vandaag het omroepduo kakelt lustig om

zich heen een kring van opgedofte lieden

die uiteindelijk ook geen uitkomst bieden.

Het is opstaan vallen en opnieuw zonder eind

al zetten we de klok een uur achter- of vooruit

©c.u.

Praatje


Praatje

Kijk ginder staat een boom een populier

Zeker dat hebben we toch afgesproken

Dat hij daar staat Nee dat het een boom is

Een stukje naar links heb  je dezelfde

Dat zie ik anders die is veel minder

om van  de twijgen maar te zwijgen

ze heeft  krullen en kromme benen

Wist niet dat een populier vrouwelijk……….

Laten we nou even geen ruzie maken

ieder mag  gewoon zijn eigen boom

Ik zal het je uitleggen  heb je nog  tijd

Nee die glipt me weer  door de vingers

die tweede denk ik is een ratelpopulier

Was ik zo’n zilveren blaadje in de lucht

Dan zou de wind me ver en hoog  dragen

Niet sentimenteel of  filosofisch worden

dat kunnen we er vandaag niet bij hebben.

©c.u.

Het kleine schooltje


Beste Rijk,

Naar het verleden kun je nu niet meer.

Een afspraak die je vergeten had misschien:

Je zou mijn oude schooltje nog eens zien,

Als ’t zo gelegen kwam  met tijd en weer.

We stelden uit; niets is er van gekomen.

Dat doe je beter niet met samen dromen.

De school, het huis de kinderen het plein;

Ze zullen  nu voorgoed van gisteren zijn

Want  wijze mannen van de overheid

vonden school en meesterswoning uit de tijd

en  bouwden blij een blokkendoos van steen.

nu kijkt ’t middeleeuwse kerkje om zich heen:

de moestuin, de school,  alles wat verdween,

ging op de schop en zonder piëteit.

©c.u.

geretoucheerd


 

Met dit gedicht geef ik je nu een nieuwe jas

voor onze liefde in de najaarsregen

en met de bittere kou een wollen das

de jaren kunnen er dan beter tegen.

 

Jij was dat meisje van de overkant

zelfbewust jong en nogal bijdehand

zonneklaar dat je er zo mocht wezen

met jou zou ik zeker alles gaan beleven.

 

Onopgemerkt heb ik je analoog genomen

om later nog eens bij je weg te mogen dromen

doch ik vergat de sterkte van het morgen licht.

 

Nu ik je geduldig digitaal en eigentijds bewerk

wordt je silhouet oogstrelend zacht en sterk,

hervind ik dat vrolijke hier ben ik dan gezicht.

 

©c.u.

Een meisje reed alleen de verte in


De straten waren stil en onbesproken

en bomen stonden zwijgend langs de kant.

Wat was er spannend in het achterland

dat er bloot en open lag onafgebroken!

Het land waar ik ontwaakte voor het eerst:

zo werd het door de fotograaf genomen.

De lens vertekende de straat met bomen,

een meisje op haar fiets, de herfst die heerst.

Een ansicht waar veel verte werd gevangen.

De straat waar ik m ’n prille liefde kreeg,

’t was er nog zo onvoorstelbaar ruim en leeg.

Een weg waarop je nog alles kon verlangen;

het einde was omgekeerd een begin

en een meisje ze reed alleen de verte in.

©.c.u.


Het bed van Narretje Nol

Narretje Nol het is waar

Sliep meestal niet zo zwaar

Vaak droomde hij van een vliegend tapijt

En voor snurken had hij dus geen tijd

Eens lag hij op zijn gemak

Toen plotseling met een droge krak

Zijn bedje dwars doormidden brak

Nol ging zitten aan zijn schrijfbureau

En dacht ik protesteer o zo

Bij die beddenfabrikant

Tegen zo’n krakkemikkig ledikant

Voorlopig wilde hij het bed nog repareren

Dan zou hij meteen wat timmeren leren

Maar hij sloeg ja het is heus

Een spijker door zijn papieren narrenneus

Toen werd hij vreselijk driftig en kwaad

En mopperde het is nu toch te laat

En dus zaagde hij met wilde rukken

Z’ n trouwe bed in brokkelige stukken

Daarna ging onze boze clown bedaard

Naar de kamer en de open haard

Stookte daar een geweldig vuur

En kreeg het warm op den duur

©c.u.

Heimwee


img_6867-800x600Jeugdliefde

Nu ik ver buiten het bereik

Van die donkere ogen viel

En het kind dat ik was

Elke dag wat hoger

In het leven klom

Kon ik slapen als een kat

Waren de duiven die thuis

Kwamen van een lange vlucht

Van een soms hoge horizon

Het heimwee meegebracht

Dat zij toch voornamelijk was

Cor Uitham

de laatste bus


 

 

Derk met de bus

 

ongefrankeerd

 

Ik breng je nog even zei je naar de bus

alsof ik nog mee moest

met de laatste lichting

 

Een brief zonder eindbestemming

Ik wilde nog iets zeggen

Maar vond geen lettergrepen meer

want er ging geen bus en voor brieven

was het immers al te laat

 

Als gedoofde sterren

na het afscheid nergens meer

maar nog jaren onderweg

zo voel ik  af en toe

dat je ergens wel moet zijn

 

Soms achter een beslagen ruit

bij  een halte van de bus

een gezicht het jouwe dus

dan ben je even weer voor mij

sneller dan het licht

en vlugger dan geluid

©c.u.

Meisjes thuisbrengen


molenkerk

De deur naar de keuken die op een kier stond ging verder open. Kees kwam in haar blikveld met borden en bestek.‘

‘Ben je nog met die foto’s bezig meisje!’

‘Ja dat mag toch wel. Trouwens weet je wat er van Karel geworden is. Was wel een vreemde snoeshaan vind je ook niet. Hij kon soms raar uit de hoek komen.’

‘Een jaar of twaalf na de mulo, ben ik hem eens tegengekomen. Hij had toen van dat lange Michiel de Ruiterhaar en had de school voor journalistiek gedaan.’

‘Ja de mode van die tijd, gelukkig heb jij het altijd kort gehouden. Wat eten eigenlijk!’

‘Avocado met garnalen, heldere groentesoep, gebakken aardappels met schnitzel en een toetje, aardbeien met slagroom na. Kan dat je goedkeuring wegdragen!’

Hij verdween in het kombuis ‘Hebben we nog ander knabbels dan die pinda’s en is er nog meer frisdrank!’

Door het keukenlawaai reageerde hij niet. Ze mijmerde voort over hoe Kees tegen wil en dank verstrikt raakte in dorpsaffaires. Hoewel wat had hij met die Panda daar op dat grote voetbalgrasveld eigenlijk gedaan ‘Het voelde alsof ik naar de verte groeide’, zei hij. Om uitleg gevraagd begon hij over een dichtregel die hij ooit gelezen had. Hij schreef af en toe zelf ook wel eens wat. Dat was een soort beschadiging die hij door dat voordragen bij de leraar Nederlands opgelopen had. Bovendien stelden zijn versjes niet veel voor. Toch streelde het wanneer hij iets voor haar maakte.

Heel veel later na dat gedoe in het park waren ze dus met z’n vieren het dorp uit gefietst. Karel was nu ook van de partij. Gert had zich met Riekje van de dokter tussen de rododendrons verstopt en bleek naderhand onvindbaar.

Na de brug over de Grift, gingen ze verder, langs de kanaaldijk naar beneden. Het was een streek met vreemde landhuizen, boerderijen en landerijen. Ze slingerden met hun fiets over de onbekende weg, riepen luid allerlei grappige dingen naar elkaar. De stemming kon uitstekend genoemd worden. In het donker was niet te zien hoe het met Freek ging. Aan het eind van die lange vrolijke weg naar V. liep de weg omhoog tegen de rivierdijk. Ze sloegen linksaf. Er werd weinig meer gezegd en het groepje reed het onbekende korte dijkdorpje binnen.

Panda had haar hand op zijn stuur gelegd. Na het plaatsnaambord stond in de nacht een grote groep jongens en mannen met fietsen zwijgend bij elkaar. Ze zagen sigaretten in het duister opgloeien en hun groet werd niet beantwoord. Toen ze verder fietsten, bleef het stil achter hen. Ze zeiden niets. Panda en Mathilde die nu voorop reden, hadden wat gefluisterd. Aan ’t eind van de plaats moesten ze via een lange weg langs de dijk naar beneden, waar ergens in het weiland de meisjes op boerderijen leefden. In de verte hoorden ze toen het geluid van snelle fietsbanden en hijgende stemmen.

‘Dit gaat niet goed,’ had Freek gezegd, ‘ laten we maken dat we wegkomen, anders krijgen we straks op onze sodemieter.’

Ook de meisjes werden onrustig. Ze gingen steeds sneller en gehaaster fietsen en het geluid van hun achtervolgers werd duidelijker; ze konden nu stemmen onderscheiden. Freek ging op de trappers staan om meer vaart te zetten.

Maar Karel remde af, sprong van zijn fiets en riep: ‘Ik zal wel eens vragen wat nou precies de bedoeling is!’

‘Nee niet stoppen schreeuwde zijn vriendin, dan krijg je een pak rammel.’

Bij twee boerenhuizen stoven Mathilde en Panda het erf op. Ze riepen, ‘dáág, tot de volgende keer,’ en,’ doorrijden jullie!’

Ze schreeuwden over onze sturen gebogen terug: ‘Ja dat is goed,’ en scheurden verder over de hun onbekende grindweg; met op de hielen, zo leek het, ’t halve dorp. Het werd fietsen op leven en dood en Freek siste tegen hem: ‘Doorrijden, niet omkijken, dan val je en ben je de sigaar.’

De weg veranderde in een karrenspoor met veel oneffenheden; ze hadden al hun stuurmanskunst nodig om op de been te blijven. Er waren geen huizen meer; donkere hoge populieren staken dreigend af tegen de lichtere hemel.

Het geroep en het lawaai achter hen werd minder. De jacht was misschien opgegeven. Ze kwamen in een onoverzichtelijk netwerk van fietspaden, hadden geen idee waar ze zaten. Buiten adem bleven ze achter elkaar doorrazen.

Freek en hij wisten heel goed dat die dorpsjongens niet zachtzinnig zouden zijn: vrijen met een meisje van een ander dorp werd zwaar bestraft en ze konden zich voorlopig langere tijd niet in V. laten zien.

Toen was het fietsspoor er niet meer; ze kwamen in een weiland, over het gras ging het op topsnelheid verder. Bij een hek moesten ze afstappen om in het volgende perceel te komen. Nog altijd was in de verte achter hen geschreeuw. Ze hadden nu een kleine voorsprong en passeerden weer een aantal hekken. In het donker zochten ze tussen de koeien en schapen die bezorgd loeiden of verstoord mekkerden een weg en toen werd het rustig.

De boze dorpsjeugd had de strijd opgegeven of was nu buiten de grenzen van hun dorp. Vermoeid en doodop ploften hij en Freek in het vochtige gras neer.

Waar waren ze; waar lag hun vertrouwde H? Teruggaan naar het andere dorp beteken­de zelfmoord. Lange tijd zaten ze daar zo uit te blazen.

Daarna liepen ze met de fiets aan de hand door verschillende weilanden met hier en daar een boerderij met een spaarzaam verlicht raam. Toen was er een fietspaadje dat ze herkenden. Ze waren vlak bij huis aan een heel andere kant van het dorp. Freek zei hem gedag. Kees reed langzaam naar de Langeslag Veel te laat kwam hij zo thuis.

De volgende dag was hij in het dorp Karel Mosterd tegengekomen. Die zag er belabberd uit, had blauw oog en een kapotte lip. Hij mopperde dat die inboorlingen daar achter de dijk hem met z’n allen afgetuigd hadden en ze staken de banden van zijn fiets lek zodat hij van Vorchten of Veessen of hoe dat rotgehucht ook mocht heten, naar huis moest lopen. Ze riepen hem nog na dat als hij zo nodig verkering met een van hun meisjes wou, hij eerst voor een paar flessen jenever moest zorgen. Hij was pas ver na twaalven thuisgekomen. Zijn vader was boos, deed misschien aangifte. Karel hoefde zo’n rotmeid die hem in de val lokte niet meer en hij kreeg langzamerhand tabak van die gluiperd van een Gert. Hij had immers alles geregeld en lachte in zijn vuistje.

©c.u.