Weemoed


Spleen

 

Eens waren wij jong

en schoon de leeuwerik

zong de grutto riep

kikkers kwaakten

in het geniep.

Zo was het toen gewoon.

 

Nu gaan wij vergrijzen

Een tomtom gaat ons

de weg wel even wijzen.

 

Neem op de rotonde

de derde afslag en ga

dan wat kilometers rechtdoor

fluistert een jufrouw vriendelijk

aan ons beter-horen-oor.

 

En na een kronkelweg

die eindeloos lijkt

klinkt opgewekt: u hebt

uw bestemming zo bereikt.

©c.u.

Advertenties

Oom Roelof


Bij het kamerraam keek hij zijn jaren weg

wees naar buiten; ‘moet je nou zien zeg,

op die grote tak zit verdorie een kalkoen!

Wat moet dat gekke beest nu daar doen!’

‘Kijk boven in buurmans rode beukenboom!

Hoog is voor een kalkoen toch niet gezond.’

‘Waar vraag’, ik, begrijp ’t, hou wijs m ’n mond

want zijn wereld werd een verwarde droom

waarin alle dingen van hun plaats verschoven

de klok tikte, dagen gingen in de tijd verloren

onderste stenen kwamen steeds maar boven.

©c.u

Hamamaelis Virginea


 

De toverhazelaar ze leeft zich uit en.
trekt zich van de winterkou niets aan.
Als jij na die bevlogen herfst besluit
dat ik net als voorheen alleen zal staan.

Nu wandel ik op stil berijpte winterdagen
met de hond en zet het voorbije op een rij.
Eerste ogenblikken die toch nooit vervagen,
herinneringen en weemoed ze zijn vogelvrij.
Zoals de sprookjes hazelaar als ‘t vriest
voor later bloei haar egelstelling kiest
bewoon ik onvrijwillig mijn ivoren toren.Maar tijdelijk en bedacht op sporen
met na de winter sluimer warme groei
van vertrouwde nieuwe vreemde bloei.

©c.u.

De zilverpopulier


Een rivier van sterren

Ik vind haar tranen terug bij een rivier.
Het water vloeit er teder langs de kant.
De abelen daar laten mij weten; hier
bereikte haar verdriet het vaste land.

de zomer maakte overuren toen
ze mij verliet en ik die straf verzon;
ze kreeg een plek als ster naast Orion
en moest het zonder aardse liefde doen.

ik meende zo van haar verlost te zijn
maar fietsend over deze zomerdijk,
verstoort het zilver naast de rivier mijn

zorgvuldig goed beveiligd eenzaam rijk.
In alle populieren langs de wegen
Kom ik haar nu eindeloos vaak tegen.

Cor Uitham

Meisjes thuis brengen


IMG_0043

De deur naar de keuken die op een kier stond ging verder open. Kees kwam in haar blikveld met borden en bestek.‘

‘Ben je nog met die foto’s bezig meisje!’

‘Ja dat mag toch wel. Trouwens weet je wat er van Karel geworden is. Was wel een vreemde snoeshaan vind je ook niet. Hij kon soms raar uit de hoek komen.’

‘Een jaar of twaalf na de mulo, ben ik hem eens tegengekomen. Hij had toen van dat lange Michiel de Ruiterhaar en had de school voor journalistiek gedaan.’

‘Ja de mode van die tijd, gelukkig heb jij het altijd kort gehouden. Wat eten eigenlijk!’

‘Avocado met garnalen, heldere groentesoep, gebakken aardappels met schnitzel en een toetje, aardbeien met slagroom na. Kan dat je goedkeuring wegdragen!’

Hij verdween in het kombuis ‘Hebben we nog ander knabbels dan die pinda’s en is er nog meer frisdrank!’

Door het keukenlawaai reageerde hij niet. Ze mijmerde voort over hoe Kees tegen wil en dank verstrikt raakte in dorpsaffaires. Hoewel wat had hij met die Panda daar op dat grote voetbalgrasveld eigenlijk gedaan ‘Het voelde alsof ik naar de verte groeide’, zei hij. Om uitleg gevraagd begon hij over een dichtregel die hij ooit gelezen had. Hij schreef af en toe zelf ook wel eens wat. Dat was een soort beschadiging die hij door dat voordragen bij de leraar Nederlands opgelopen had. Bovendien stelden zijn versjes niet veel voor. Toch streelde het wanneer hij iets voor haar maakte.

Heel veel later na dat gedoe in het park waren ze dus met z’n vieren het dorp uit gefietst. Karel was nu ook van de partij. Gert had zich met Riekje van de dokter tussen de rododendrons verstopt en bleek naderhand onvindbaar.

Na de brug over de Grift, gingen ze verder, langs de kanaaldijk naar beneden. Het was een streek met vreemde landhuizen, boerderijen en landerijen. Ze slingerden met hun fiets over de onbekende weg, riepen luid allerlei grappige dingen naar elkaar. De stemming kon uitstekend genoemd worden. In het donker was niet te zien hoe het met Freek ging. Aan het eind van die lange vrolijke weg naar V. liep de weg omhoog tegen de rivierdijk. Ze sloegen linksaf. Er werd weinig meer gezegd en het groepje reed het onbekende korte dijkdorpje binnen.

Panda had haar hand op zijn stuur gelegd. Na het plaatsnaambord stond in de nacht een grote groep jongens en mannen met fietsen zwijgend bij elkaar. Ze zagen sigaretten in het duister opgloeien en hun groet werd niet beantwoord. Toen ze verder fietsten, bleef het stil achter hen. Ze zeiden niets. Panda en Mathilde die nu voorop reden, hadden wat gefluisterd. Aan ’t eind van de plaats moesten ze via een lange weg langs de dijk naar beneden, waar ergens in het weiland de meisjes op boerderijen leefden. In de verte hoorden ze toen het geluid van snelle fietsbanden en hijgende stemmen.

‘Dit gaat niet goed,’ had Freek gezegd, ‘ laten we maken dat we wegkomen, anders krijgen we straks op onze sodemieter.’

Ook de meisjes werden onrustig. Ze gingen steeds sneller en gehaaster fietsen en het geluid van hun achtervolgers werd duidelijker; ze konden nu stemmen onderscheiden. Freek ging op de trappers staan om meer vaart te zetten.

Maar Karel remde af, sprong van zijn fiets en riep: ‘Ik zal wel eens vragen wat nou precies de bedoeling is!’

‘Nee niet stoppen schreeuwde zijn vriendin, dan krijg je een pak rammel.’

Bij twee boerenhuizen stoven Mathilde en Panda het erf op. Ze riepen, ‘dáág, tot de volgende keer,’ en,’ doorrijden jullie!’

Ze schreeuwden over onze sturen gebogen terug: ‘Ja dat is goed,’ en scheurden verder over de hun onbekende grindweg; met op de hielen, zo leek het, ’t halve dorp. Het werd fietsen op leven en dood en Freek siste tegen hem: ‘Doorrijden, niet omkijken, dan val je en ben je de sigaar.’

De weg veranderde in een karrenspoor met veel oneffenheden; ze hadden al hun stuurmanskunst nodig om op de been te blijven. Er waren geen huizen meer; donkere hoge populieren staken dreigend af tegen de lichtere hemel.

Het geroep en het lawaai achter hen werd minder. De jacht was misschien opgegeven. Ze kwamen in een onoverzichtelijk netwerk van fietspaden, hadden geen idee waar ze zaten. Buiten adem bleven ze achter elkaar door razen.

Freek en hij wisten heel goed dat die dorpsjongens niet zachtzinnig zouden zijn: vrijen met een meisje van een ander dorp werd zwaar bestraft en ze konden zich voorlopig langere tijd niet in V. laten zien.

Toen was het fietsspoor er niet meer; ze kwamen in een weiland, over het gras ging het op topsnelheid verder. Bij een hek moesten ze afstappen om in het volgende perceel te komen. Nog altijd was in de verte achter hen geschreeuw. Ze hadden nu een kleine voorsprong en passeerden weer een aantal hekken. In het donker zochten ze tussen de koeien en schapen die bezorgd loeiden of verstoord mekkerden een weg en toen werd het rustig.

De boze dorpsjeugd had de strijd opgegeven of was nu buiten de grenzen van hun dorp. Vermoeid en doodop ploften hij en Freek in het vochtige gras neer.

Waar waren ze; waar lag hun vertrouwde H? Teruggaan naar het andere dorp beteken­de zelfmoord. Lange tijd zaten ze daar zo uit te blazen.

Daarna liepen ze met de fiets aan de hand door verschillende weilanden met hier en daar een boerderij met een spaarzaam verlicht raam. Toen was er een fietspaadje dat ze herkenden. Ze waren vlak bij huis aan een heel andere kant van het dorp. Freek zei hem gedag. Kees reed langzaam naar de Langeslag Veel te laat kwam hij zo thuis.

De volgende dag was hij in het dorp Karel Mosterd tegengekomen. Die zag er belabberd uit, had blauw oog en een kapotte lip. Hij mopperde dat die inboorlingen daar achter de dijk hem met z’n allen afgetuigd hadden en ze staken de banden van zijn fiets lek zodat hij van Vorchten of Veessen of hoe dat rotgehucht ook mocht heten, naar huis moest lopen. Ze riepen hem nog na dat als hij zo nodig verkering met een van hun meisjes wou, hij eerst voor een paar flessen jenever moest zorgen. Hij was pas ver na twaalven thuisgekomen. Zijn vader was boos, deed misschien aangifte. Karel hoefde zo’n rot meid die hem in de val lokte niet meer en hij kreeg langzamerhand tabak van die gluiperd van een Gert. Hij had immers alles geregeld en lachte in zijn vuistje.

©c.u.

De tulpen


 

 

Haar witte tulpen hadden de geest

gegeven: het was wel mooi geweest.

Wat bleef; een geur aan eerder dagen,

de tijd van onuitgesproken vragen.

 

Vergankelijkheid in een vaas geschikt

Het verlangen dat haar wonden likt.

Eens was diep herkennen nog ’t meest

een ingetogen en aandachtig feest.

 

Ze zat voor hem op school en de rozen

van haar witte trui schenen als de zon.

Waarom had het lot toch haar verkozen,

wilde het samenbrengen wat niet kon.

 

Zij verlangde steels naar ’t verre licht,

hij dacht aan zijn levenslang gedicht.

 

©c.u.

Afgeprijsd sonnet


 

 

In de kringloopwinkel waar ik schuilde

voor de regenwind die buiten huilde

naast een staande schemerlamp zag ik

haar blij verbaasd terug, ook met schrik.

 

Een foto verscholen tussen hebbedingen,

snuisterijen of wat stoffige herinneringen;

vonken die oversprongen in dat korte haar

als onze hoofden even neigden naar elkaar.

 

 

ik peinsde of ze nog leefde wellicht en wist

van ’t decor dat ik toch nooit vergeten kon:

het praten van de zee, die ondergaande zon.

 

Wie had er hier over haar voortbestaan beslist,

bij ’t afgedankte vergezicht en ‘t oude spul gezet!

Compleet met lijst voor 50 eurocent is zij gered.

©.c.u.

 

Inval


Inval

 

Je verdween als  sneeuw voor de zon

uit m ’n woelige gedachten, hoe kon ik ‘t

ook verwachten, de tijd ging slordig met

ons om, de dagen dat jij mij zo vervulde.

 

Je was uit het zicht van mijn buitenbinnenwereld

Ik zocht overal; in groen gras of in een onderwal.

Er waren tijden dat jij, als ik even keek, verscheen.

 

Wat is een uur of dag, een onbeschreven blad

waarop de wind vluchtig het verhaal  vertelt

dat jij was: een bladzij poëzie en  ik een slordig

proefveldje  vol  met doorhalingen of fouten.

 

Tijd is de afspraak van iets wat nooit komen gaat.

Een jaar overviel jij het huis van mijn gedachten,

bij dag en nacht deed ik gretig de voordeur open:

Jij immers zou mijn zoekend bestaan verzachten.

                                                            (voor Jenny of hoe ze verder ook heten mag)

©c.u.

Aanvankelijk


In de morgen ga ik beginnen

opstaan wassen  aankleden

al doende verschuift het heden

verplaats ik ijverig ‘t  verleden

beginner ben ik zo iedere dag

Na de  boterham  + bloeddrukpillen

begint de dag met  een frisse krant:

voetballen  een stadion met gedichten,

de meeste  het lezen niet de moeite

soms bij de uitgang nog verrassend

De middag verzandt in een hazenslaap

daarna is er thee en tv met wat eten wij

vandaag het omroepduo kakelt lustig om

zich heen een kring van opgedofte lieden

die uiteindelijk ook geen uitkomst bieden.

Het is opstaan vallen en opnieuw zonder eind

al zetten we de klok een uur achter- of vooruit

©c.u.

Praatje


Praatje

Kijk ginder staat een boom een populier

Zeker dat hebben we toch afgesproken

Dat hij daar staat Nee dat het een boom is

Een stukje naar links heb  je dezelfde

Dat zie ik anders die is veel minder

om van  de twijgen maar te zwijgen

ze heeft  krullen en kromme benen

Wist niet dat een populier vrouwelijk……….

Laten we nou even geen ruzie maken

ieder mag  gewoon zijn eigen boom

Ik zal het je uitleggen  heb je nog  tijd

Nee die glipt me weer  door de vingers

die tweede denk ik is een ratelpopulier

Was ik zo’n zilveren blaadje in de lucht

Dan zou de wind me ver en hoog  dragen

Niet sentimenteel of  filosofisch worden

dat kunnen we er vandaag niet bij hebben.

©c.u.